vrijdag 4 januari 2008

Naarden 1572 vertelt en opgeschreven door Lambertus Rijkz Lustigh in 1723

int jaar 1572, den 24 novemb. oudes tijt doen vermoort duc: Alva de
burgers en besettelingen tot naarden, ende dat tot 468, toe
en steeckt den brant alomme in den stadt, in welcke distructie
veele micirabele eelendigheden voor vielen, waar van ik maar
maar eenige sal ophalen die gruwelijk sijn geweest, don ffrederico bastaart soon van duc: alva die liet den trommel slaan, alle burgers moesten in de gasthuijs capelle koemen, men soude haar een nieuwe eedt, ten behoeve van den koninck van sphangien laten doen eenige burgers gingen niet, dogh de meesten al: pater Joseph, wiert belast, hij moeste op de roomsche maniere het vergaderde volck de laatste benedictie seggen en geven en soo als hij dat begon te seggen soo vloegh een ijgelijk na de dueren
en vensters, omme uijt te raken maar eijlaijs, de sphanjaarden
die stonden met hare roers en piecken aen wedersijden van de dueren, en
schoeten, en steecken al door watter uijt quam, tot dat die alle vermoort waren vorder soo reden de moordadige ruijteren met haare paarden langes
de straten en op de wallen en wien noch uijt hare huisen quamen diesij sagen, die vermoorden sij, dogh noch eenige burgers knegjes, die raakte in die ffurie noch over de graft den eene na Loosdregt, Weesp en den anderen na andere plaatsen soo best ontkoemen konnen ja een Borgers soon van naarden de moort tot naarden op de wijse
ontkoemen sijnde, die quam seer verbaasdelijk tot Huijsen in een Huijs loopen en seijde tegen de vrouwe van t huijs, moeder moeder bergh mij, en liep voort soo door t voorhuijs int agterhuijs, en kroop int stroo, doch daar saten sphaanse ruijteren bij t vier, die vraagden
die vrouwe, off dat haar soon was die vrouwe segt neen, die ruijteren loopen na agteren, en steeken met haar rapieren, den jongeling in t strro doot, dit is waar gebuert. ende noch is waarheijt, dat mijn vaders grootvader Lambert rijckz Lustigh na welcke ik genoemt ben, op dien
voorz moort dagh, mede in groot gevaar sijns levens raakte want daar waren op die tijt en dag in ons dorp sphaanse ruijters gelegen die daar oppassen moesten, dat soo ras sij sagen, dat den roock en brant tot naarden opgingh sij haar moesten posteren op de bergen en wegen na bij naarden, om de vlugtigen burger van naarden, te dooden, ende soo ras sij den brant sagen soo wouden sij van mijn overgrootvader hebben, dat hij een van sijne dogters aen haar mede gaf, om haar den wegh te wijsen, tot aen de duijnbergen toe twelck hij niet consenteerde, sorgende
voor schenden, waarom sij hen doen drongen om dat selver te doen, doch sij consenteerden, als hij haar tot op de duijnbergen gebragt hadde, sij dan aen mijn over grootvader souden overgeven een scherp, haar spaans veltteijken om daar meede in vrijheijt wederom thuijs te koemen, ende die ruijteren op die duijnbergen gebragt hebbende soo gaven sij aen mijn overgrootvader, haar ]sphaans velt teijken wel, maar onderwegen tisschen ons dorp en die
duijnbergen, soo ontmoete de mijn overgrootvader, eenige partijen sphaanse ruijte-
ren die hem wouden doorschieten, meijnend dat hij uijt de moort van naarden ontkoemen
was, doch mijn overgrootvader die quam t elckens, met woorden wijsen en met het
spaans velt teeken te toonen, dat hij het ter nauwer noot, niet doot raakte welck perijkel mijn overgrootvader noijt quam te vergeten, ja het is ook de waarheijt dat drie burgers tot naarden van eenige soldaten sware packen van naarden tot bussum droegen, alwaar het hooftquartier was, en haar aldaar de packen aff genoemen hebbende, soo meenden sij daar mede perdon te hebben maar helaijs twee van deselve wierden tot bussum op een bouwkamp seer jam-
merlijk met rappieren door stoecken ende het soude den derden ook soo gegaan hebben, indien hij het niet intijts in een paardenstal onder de messe ont kroepen hadde, alwaar hij hem, drie dagen in verbergde, en doen op een nagt daar uijt gaande quam hij in ons dorp Huijsen, Item, een borger tot naarden genaamd Hubert Willems van Eeijcken, een smit, die en woude aen de sphanjaars
geen eedt doen, waarom si hem op t lijf vielen, en gaven hem 15 wonden met hare rapieren, en terwijl sij hem die wonden gaven, soo houde hij met sijne handen de bloote rapieren soo danigh vast dat alle de vingeren van sijne handen affsneden, voorts sneden sij moordenaars hemhet hooft af, en wierpen hande vol bloots, in sijn dogters aengesigten die op hare knien lagen, en baden
om t leven van haaren vader ook is het waarheijt dat wel 20 mannen op de toorn gevlugt waren, en meende haar daat te verbergen, maar onder
belofte van perdon, soo krrgen sij die vertoorn aff, en om laagh hebbende, dooden sij deselve, alle moordagen stucken te beschrijven, is mij onmoegelijck want sij spaarden van de manluij jonck off out niemant niet, als Lambertus Hortensius rector, en pater Joseph, dog de vrouwen die schoffeerden sij wel maar van deselve niet veel gedoot een vrouw, een dagh outkraams, en op hare blooten voeten gaande met haar jongh geboerenen kint, die wiert noch van een duijtse
ruijter, een stuck geconvoijeert na ons dorp Huijsen, alwaar sij in dit kout sneewigh en vriiesent weer, noch behouden aen quam, alle hare moorden en branden gedaan sijnde, soo lieten sij door de omleggende boeren de wallen in de grafte smijten, en lieten alle de vermoorde menschen, drie dagen onbegraven leggen en doen moesten die omleggende boeren deselve mede begraven, voorts verklaarden sij de stadt van alle hare previlegien en vrijheden berooft te sijn, en waren
al soo verre heen, dat sij de meenten rontom naarden al hadden laten affmeten om deselve voor eijgen geconquetseerde lande, te verkopen, doch de tijts veranderinge van de oorlogen, die belette het selve, dat die noch niet verkogt wierden, gelijk ik sulckx in een gedruckt boeckxken tot naarden ten huijse van Do. Johannes pivockius hebbe gelesen 128 jaren, hebben die van naarden alle jaar dien moort dagh laten preecken, godt geve, dat noijt die stadt diergelijken overkoeme, want dat waren dagen van moort, brant, en benautheijt