vrijdag 23 januari 2026

Als soldaat van Zwitserland naar Nederland

 

10 november 1761
Verklaring no. 1457
Op heeden den tienden november Des Jaars Seventien hondert eenensestig. Compareerden voor mij Salomon Dorper openbaar Notaris Amsteldam bij haar Ed. Hove van Holland, geadmitteerd ende voor de getuige nagenoemd,

Matthias Probst Schoenmaker wonende in de Schoutensteeg op het Fransche hofje.
En Josua Beau op de Jood Breestraat in ’t midden boven ’t Palmhuijs.
Beide binnen deze stad van competenten ouderdom.

Ende hebben ten verzoeke van Antonij Giesler en Ursula Stadler echtelieden woonende in de Naardersteeg mede binnen deze Stad, en ten behoeve van die hier verder zoude mogen aangaan door Interpretatie van mij Notaris in de Hoogduitsche Taal voorde oprechter waarheijd getuige en verklaard zoo als voorn. Anthinij Giesler en Ursula Stadler ten dezen mede compareerde insgelijks door interpretatie als vooren hebben verklaard en geaffirmeert

En wel vooraff hij eerste getuige dat hij als soldaar zedert den Jaare 1742 tot den Jaare 1748 hem heeft bevonden in dienst van zijn Koninglijke Majesteit van Sardienien onder het regiment Roij in de compagnie van den Heer overste Luitenant Sigmund Wijs van Molans dat in gemelde compagnie hem als toen  mede als soldaat en schoenmaker heeft bevinden den requirant en affimant in dezer soo als hij affermant ten deze mede is affermeerende zulks waarheijd te zijn Dat hij eerste getuige benevens den affirmant die zulks mede in affirmeerende ende hun paspoort in gemelde jaar 1748 hebben versogt en ook geobtineerd, wanneer hij getuige en affirmant uijt gemelde dienst zijn gegaan en hun te samen hebben  geEngageerr in dienst  van de behuwd vader van hem  affirmant schoenmaker te Surag bij wien hij tweede getuige toen ter tijd nu mede verklarende in dienst als schoenmakersknegt gewerkt heeft, Dat hij eerste getuige en affirmant hun zeer korten tijd in laatst gemelden dienst bevindende wanneer aan hem affirmant door voornoemde overste Luijtenant Wijs van Molan welke mede uijt den dienst van zijn koninglijke majesteit van de Sardienen was overgegaan in dienst van haar Hoogmogende de Heeren Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden onder het Switsersche regiment van Breda, bij desselfs vertrek na laast gemelde dienst van Bern naar Basel is gezonden een expresse ten eijnde om hem affirmant wederom te engageren als soldaat en schoenmaker onder de compagnie van gemelde overste ’t geene de tweede getuige mede kont te verklaaren. Dat hij affirmant daarop heeft vervoegt na Basel geleegen eem em eem half uur van Lurag om met gemelde Heer overste weegens desselfs gedane aanzoek te spreeken zoo als hij affirmant verklaard dan ook tot Basel met gemelde overste dies aangaande te hebben gesprooken, dog zig als toen niet geEngageert, maar weder naar Leurag voornoemt is vertrokken, dat kort daaraan zoo als zij beijde getuigen en affirmant verklaaren en affirmeeren weder door gemelde overste  ten tweede maalen is gesonden een expresse tot Leurag ten eijnde hem affirmant weder aan te zoeken om onder gemelde overste dienst te nemen, dat hij affirmant dan ook weder hem benevens de eerste getuige hebben vervoegt na Basel voornoemt alwaar hij eerste getuige benevens de affirmant met gemelde Heer overste hebben gesprooken wanneer hij affirmant hem in het bijzijn van hem eerste getuige in dienst van gemelde overste als soldaat en schoenmaker heeft geEngageert, dat als toen door gemelde overste aan den affirmant ook order is gegeven geworden omme voor zijn gemelde compagnie te recrutereeren, waar op hij eerste getuige die ter dier tijd mede door gemelde overste wierd aangespoort omme insgelijks onder hem dienst te neemen dog het geene hij eerste getuige heeft gerefuseerd, beneevens den affirmant weder zijn vetrokken na Leurag alwaar den affirmant hem ingevolge de bekomen permissie van den voormelide overste nog twee maanden mogt ophouden zoo als hij affirmant mede hem eerste getuige heeft aangezogt om dienst onder gemelde zijn compagnie te neemen waartoe hij getuige te diertijd zig nog niet wilde verbinde maar als des requirant vrouw na de compagnie vertrok dan welligt meede zoude komen en tot nader schrijven van den requirant te Leurag blijven zoude
Verklarende hij eerste getuige wijders dat wanneer hij zig benevens den affirmant als voren bij gemelde overste bevond hij overste aan hem eerste getuige order heeft gegeven omme voor hem te gaan na Bern om aldaar zeker vrouwspersoon als keukenmeid in dienst van gemelde overste te huuren,  zoo als hij eerste getuige ook dies wegens na Bern is vertrokken welke reijs en de kosten dieswegens gevallen aan hem eerste getuige door den affirmant zijn betaald geworden in presentie van hem tweede getuige, Voorts verklaaren en affimeeren zij beijde getuigen en affimant  dat geduurende het verblijff van hem requirant en affirmant tot Leurag voornoemd aan hen affirmant door gemelde overste is afgezonden en bij hem affirmant ontfangen geworden zeekere missive in dewelke ingeslooten was een ouder geadresseerd aan Coenraad Rohr van Lentsburg die als Chirurgijn in voormelde compagnie was geEngageert met order omme deselve ingeslootene missive ten spoedigste met een expresse af te zenden en aan desselfs adres te bezorgen waar op den affirmant hem eerste getuige zo als dezelve alleen verklaart met de gemelde missive heeft afgezonden na gemelde Coenraad Rohr welke  hem ter dier tijd was bevindende op de recruteering in Hoffweer zijnde vier en twintig uuren van Basel al waar hij eerste getuige  bij desselfs aan komst gemelde missive om eijgen hand van hem Coenraad Rohr heeft  besteld gehad en zijn reijs en teerkosten ten beloopen van agt gulden en tien stuijvers Hollands van den affirmant intfamgen
Voots verklaaren zij  beijde getuigen gelijk zij beide affirmanten  affirmeeren dat den affirmant na dat hij als voren hem weder had geEngageert in dienst van gemelde overste en voor dat hij na desselfs regiment en dienst is gegaan tot Lerag voornoemd ten dienste van gemelde compagnie heeft gewonnen een recrut met naame Rudolf Hausler uijt het canton van Zurig welke mede als knegt bij des requirants behuwd vader was werkende en aan dezelve tot handgeld gegeven agttie gulden Hollands. Dat hij affirmant vervolgens in de maand augustus met gemelde recrut is vertrokken na hun lieder dienst bij welke gelegenheid hij affirmant zoo hij verklaart heeft uijt geschoten wegens zijn eijgen persoon voor vragten veertig guldens en voor reijs en teerkosten agtien guldens en tien stuijvers en wegens gemelde recrut voor vragt tot Manheim vierentwintig guldens van Manheim tot Worms twee  guldens en aan dezelve recrut voor tien dagen kostgeld a seventien stuijvers daags us agt guldens en tien stuijvers Hollands, dog dat gemelde recrut zoo als zij beijde getuigen en zij affirmanten verklaaren en affirmeeren te hebben verstaan dat dezelve tot Worms was geschapeer en ook kort daar aan tot Leurag gekomen alwaar zij beijde getuijen en zij affirmanten dezelve in Persoon hebben gezien dog van waar deselve weder is vertrikken en dienst genomen heeft onder een compagnie in dienst van zijn majesteit van Vrankrijk, voorts verklaaren en affirmeeren sij beide getuigen en zij affirmanten dat  na verloop van megen maanden dat den affirmant in zijn gemelde dienst was geweest door haar affrimante van dezelve haare man is ontfamgen geworden een missive waar bij desleve niet alleen haar affirmante ( welke uijtoorzaake van Ziekte tot Leurag was gebleeven) aanschreef om in dienst van meergemelde overste te komen, zoals zij affirnmante hem eerste getuijge daartoe ook heeft verzogt en het geene door hem eetste getuijge aangenomen is geworden waarop hij eerste getuige van den huijsvrouw van hem affirmant tot handgeld heeft ontfangen   dertig guldens Hollands en vervolgens met haar affirmante van Leurag naar Breda alwaar de voornelde compagnie in garnisien was leggende is vertrokken, dat door haar affirmante zoo hij eerste getuige verklaart enzij affirmante affirmeeren  bij gelegenheijd van die reijs is betaald geworden alle de kosten en wel zoo zij affirmante verklaard voor scheepsvragt tor Breda sesendertig guldens en tien stuijvers en wijders voor agtien daggelden aan hem eerste getuijge zoo die zelve mede verkllard seventieb stuijvers per dag zijnde vijftie guldens en ses stuijvers,
Laaatelijk affirmeerde den Requirqntt hij gemelde compagnie in den jaare 1749 te Breda leggende door den secretaris van gemelde compagnie Johabbes Scherb in stilte is gewaarschouwe dat gemelde compagnie in ’t korte zoude worden afgedankt en dat derwijl hij requirqnt noh eenige penningen van de compagnie te pretemdeeren had die hij naderhand niet zoude kunnen krijgen, hij den requirant zoude taadde om van de compagnie eemig geld op te neemen gelijk  hij requirant en affirmant dan ook om zog daarmeede te decken van gemelde compagnie opgenomen heeft een somma van tweehondert vierentwintg  gulden en ses stuijvers.
Gevende de getuijge en affirmanten voornoemd reede van wetenschap als in den tekst bereijd zijnde ieder deselfs gedeposeerde en geaffirmeerde nader met solenmaale eede te bevestigen
Aldus Gepasseert binnen Amsteldam om presentie van 2 getuigen
verder getekent door Matthias Probstm  Josua Beau, Anthonij Giesler. Ursula Stadlerm,  N. Warnsman, S. Dorper

Geen opmerkingen: