10 november 1761
Verklaring no. 1457
Op heeden den tienden november Des Jaars Seventien hondert eenensestig.
Compareerden voor mij Salomon Dorper openbaar Notaris Amsteldam bij haar Ed.
Hove van Holland, geadmitteerd ende voor de getuige nagenoemd,
Matthias Probst Schoenmaker wonende in de Schoutensteeg op
het Fransche hofje.
En Josua Beau op de Jood Breestraat in ’t midden boven ’t Palmhuijs.
Beide binnen deze stad van competenten ouderdom.
Ende hebben ten verzoeke van Antonij Giesler en Ursula
Stadler echtelieden woonende in de Naardersteeg mede binnen deze Stad, en ten
behoeve van die hier verder zoude mogen aangaan door Interpretatie van mij
Notaris in de Hoogduitsche Taal voorde oprechter waarheijd getuige en verklaard
zoo als voorn. Anthinij Giesler en Ursula Stadler ten dezen mede compareerde
insgelijks door interpretatie als vooren hebben verklaard en geaffirmeert
En wel vooraff hij eerste getuige dat hij als soldaar zedert
den Jaare 1742 tot den Jaare 1748 hem heeft bevonden in dienst van zijn
Koninglijke Majesteit van Sardienien onder het regiment Roij in de compagnie
van den Heer overste Luitenant Sigmund Wijs van Molans dat in gemelde compagnie
hem als toen mede als soldaat en
schoenmaker heeft bevinden den requirant en affimant in dezer soo als hij
affermant ten deze mede is affermeerende zulks waarheijd te zijn Dat hij eerste
getuige benevens den affirmant die zulks mede in affirmeerende ende hun
paspoort in gemelde jaar 1748 hebben versogt en ook geobtineerd, wanneer hij
getuige en affirmant uijt gemelde dienst zijn gegaan en hun te samen
hebben geEngageerr in dienst van de behuwd vader van hem affirmant schoenmaker te Surag bij wien hij
tweede getuige toen ter tijd nu mede verklarende in dienst als
schoenmakersknegt gewerkt heeft, Dat hij eerste getuige en affirmant hun zeer
korten tijd in laatst gemelden dienst bevindende wanneer aan hem affirmant door
voornoemde overste Luijtenant Wijs van Molan welke mede uijt den dienst van
zijn koninglijke majesteit van de Sardienen was overgegaan in dienst van haar
Hoogmogende de Heeren Staaten Generaal der vereenigde Nederlanden onder het
Switsersche regiment van Breda, bij desselfs vertrek na laast gemelde dienst
van Bern naar Basel is gezonden een expresse ten eijnde om hem affirmant
wederom te engageren als soldaat en schoenmaker onder de compagnie van gemelde
overste ’t geene de tweede getuige mede kont te verklaaren. Dat hij affirmant
daarop heeft vervoegt na Basel geleegen eem em eem half uur van Lurag om met
gemelde Heer overste weegens desselfs gedane aanzoek te spreeken zoo als hij
affirmant verklaard dan ook tot Basel met gemelde overste dies aangaande te hebben
gesprooken, dog zig als toen niet geEngageert, maar weder naar Leurag voornoemt
is vertrokken, dat kort daaraan zoo als zij beijde getuigen en affirmant
verklaaren en affirmeeren weder door gemelde overste ten tweede maalen is gesonden een expresse
tot Leurag ten eijnde hem affirmant weder aan te zoeken om onder gemelde
overste dienst te nemen, dat hij affirmant dan ook weder hem benevens de eerste
getuige hebben vervoegt na Basel voornoemt alwaar hij eerste getuige benevens
de affirmant met gemelde Heer overste hebben gesprooken wanneer hij affirmant
hem in het bijzijn van hem eerste getuige in dienst van gemelde overste als
soldaat en schoenmaker heeft geEngageert, dat als toen door gemelde overste aan
den affirmant ook order is gegeven geworden omme voor zijn gemelde compagnie te
recrutereeren, waar op hij eerste getuige die ter dier tijd mede door gemelde
overste wierd aangespoort omme insgelijks onder hem dienst te neemen dog het
geene hij eerste getuige heeft gerefuseerd, beneevens den affirmant weder zijn
vetrokken na Leurag alwaar den affirmant hem ingevolge de bekomen permissie van
den voormelide overste nog twee maanden mogt ophouden zoo als hij affirmant
mede hem eerste getuige heeft aangezogt om dienst onder gemelde zijn compagnie
te neemen waartoe hij getuige te diertijd zig nog niet wilde verbinde maar als
des requirant vrouw na de compagnie vertrok dan welligt meede zoude komen en
tot nader schrijven van den requirant te Leurag blijven zoude
Verklarende hij eerste getuige wijders dat wanneer hij zig benevens den
affirmant als voren bij gemelde overste bevond hij overste aan hem eerste
getuige order heeft gegeven omme voor hem te gaan na Bern om aldaar zeker
vrouwspersoon als keukenmeid in dienst van gemelde overste te huuren, zoo als hij eerste getuige ook dies wegens na
Bern is vertrokken welke reijs en de kosten dieswegens gevallen aan hem eerste
getuige door den affirmant zijn betaald geworden in presentie van hem tweede
getuige, Voorts verklaaren en affimeeren zij beijde getuigen en affimant dat geduurende het verblijff van hem
requirant en affirmant tot Leurag voornoemd aan hen affirmant door gemelde
overste is afgezonden en bij hem affirmant ontfangen geworden zeekere missive
in dewelke ingeslooten was een ouder geadresseerd aan Coenraad Rohr van
Lentsburg die als Chirurgijn in voormelde compagnie was geEngageert met order
omme deselve ingeslootene missive ten spoedigste met een expresse af te zenden
en aan desselfs adres te bezorgen waar op den affirmant hem eerste getuige zo als
dezelve alleen verklaart met de gemelde missive heeft afgezonden na gemelde
Coenraad Rohr welke hem ter dier tijd
was bevindende op de recruteering in Hoffweer zijnde vier en twintig uuren van
Basel al waar hij eerste getuige bij
desselfs aan komst gemelde missive om eijgen hand van hem Coenraad Rohr
heeft besteld gehad en zijn reijs en
teerkosten ten beloopen van agt gulden en tien stuijvers Hollands van den
affirmant intfamgen
Voots verklaaren zij beijde getuigen
gelijk zij beide affirmanten affirmeeren
dat den affirmant na dat hij als voren hem weder had geEngageert in dienst van
gemelde overste en voor dat hij na desselfs regiment en dienst is gegaan tot
Lerag voornoemd ten dienste van gemelde compagnie heeft gewonnen een recrut met
naame Rudolf Hausler uijt het canton van Zurig welke mede als knegt bij des
requirants behuwd vader was werkende en aan dezelve tot handgeld gegeven agttie
gulden Hollands. Dat hij affirmant vervolgens in de maand augustus met gemelde
recrut is vertrokken na hun lieder dienst bij welke gelegenheid hij affirmant
zoo hij verklaart heeft uijt geschoten wegens zijn eijgen persoon voor vragten
veertig guldens en voor reijs en teerkosten agtien guldens en tien stuijvers en
wegens gemelde recrut voor vragt tot Manheim vierentwintig guldens van Manheim
tot Worms twee guldens en aan dezelve
recrut voor tien dagen kostgeld a seventien stuijvers daags us agt guldens en
tien stuijvers Hollands, dog dat gemelde recrut zoo als zij beijde getuigen en
zij affirmanten verklaaren en affirmeeren te hebben verstaan dat dezelve tot
Worms was geschapeer en ook kort daar aan tot Leurag gekomen alwaar zij beijde
getuijen en zij affirmanten dezelve in Persoon hebben gezien dog van waar
deselve weder is vertrikken en dienst genomen heeft onder een compagnie in
dienst van zijn majesteit van Vrankrijk, voorts verklaaren en affirmeeren sij
beide getuigen en zij affirmanten dat na
verloop van megen maanden dat den affirmant in zijn gemelde dienst was geweest
door haar affrimante van dezelve haare man is ontfamgen geworden een missive
waar bij desleve niet alleen haar affirmante ( welke uijtoorzaake van Ziekte
tot Leurag was gebleeven) aanschreef om in dienst van meergemelde overste te
komen, zoals zij affirnmante hem eerste getuijge daartoe ook heeft verzogt en
het geene door hem eetste getuijge aangenomen is geworden waarop hij eerste
getuige van den huijsvrouw van hem affirmant tot handgeld heeft ontfangen dertig guldens Hollands en vervolgens met
haar affirmante van Leurag naar Breda alwaar de voornelde compagnie in
garnisien was leggende is vertrokken, dat door haar affirmante zoo hij eerste
getuige verklaart enzij affirmante affirmeeren
bij gelegenheijd van die reijs is betaald geworden alle de kosten en wel
zoo zij affirmante verklaard voor scheepsvragt tor Breda sesendertig guldens en
tien stuijvers en wijders voor agtien daggelden aan hem eerste getuijge zoo die
zelve mede verkllard seventieb stuijvers per dag zijnde vijftie guldens en ses
stuijvers,
Laaatelijk affirmeerde den Requirqntt hij gemelde compagnie in den jaare 1749
te Breda leggende door den secretaris van gemelde compagnie Johabbes Scherb in
stilte is gewaarschouwe dat gemelde compagnie in ’t korte zoude worden
afgedankt en dat derwijl hij requirqnt noh eenige penningen van de compagnie te
pretemdeeren had die hij naderhand niet zoude kunnen krijgen, hij den requirant
zoude taadde om van de compagnie eemig geld op te neemen gelijk hij requirant en affirmant dan ook om zog
daarmeede te decken van gemelde compagnie opgenomen heeft een somma van
tweehondert vierentwintg gulden en ses
stuijvers.
Gevende de getuijge en affirmanten voornoemd reede van wetenschap als in den tekst
bereijd zijnde ieder deselfs gedeposeerde en geaffirmeerde nader met solenmaale
eede te bevestigen
Aldus Gepasseert binnen Amsteldam om presentie van 2 getuigen
verder getekent door Matthias Probstm Josua Beau, Anthonij Giesler. Ursula
Stadlerm, N. Warnsman, S. Dorper
Geen opmerkingen:
Een reactie posten