woensdag 29 april 2026

"" De Jonge Jan" Wederwaardigheden van het schip onde Schipper Mathijs Laurensz deel 1

 

Op Heeden den derde December in den jaare Zeventien Hondert negen en twintig Compareerde voor mij Jan Ardinois openbaar Notaris bij de Ed: Hove van Holland Geadmiteerd te Amsterdam Residerende in Presentie van de nagemelde getuige: Jochem Richel  en Jan Möller beijde als matroos gevaaren hebbende met het schip “De Jonge Jan”gevoerd door Schipper Mathijs Laurens En hebben ten versoeke van Jan Out timmerman meede in dienst van ‘t gemelde Schip hebbende gevaren, getuijge en verklaart  Dat zij getuijgen de verklaaring die door drie van hun meede scheepsvolk op den 5e september deses Jaars voor mij Notaris gepasseerd en des anderen daags met eede bevestigt is (en welke op het tekenen deses aan haar is voorgelesen) weeten de waarheijt te zijn en den ganschen in houde daar van gerustelijk meede affirmeeren, gelijk zij getuijgen dan dezelve bevestigen meede of nevens de getuijgeb daar  in gemeld bij deesen verklaaren, Dat zij getuijge geduurende de reijse met het voorsz schip gedaan ondervinden vonden hebben dat hun voornoemde Schipper Mathijs Laurensz  menigmaal beschonken quam te zijn en dan zeer quaadaardig en brutaal zo omtrent het scheepsvolk als anderen was gelijk hij ( onder meer den gelijke gevallen) eens op den 23e Augustus van’t voorledene Jaar 1728 als wanneer zij in Ladinge waaren leggende in de Golf van St Lie, kwestie maakte met eenige Turken die hunne waaren aan boord bragten. Zodanig dat hij die Wilde Slaan, dog dat zij getuigen, ziende dat de Turken wederom wilde lossen, en zij met hun schip gevaar zoude loopen, hem Schipper zulks verhindert en hem vast gehouden hebben waardoor hij verstoord en nog beschonken zijnde haar getuijge verbood te werken en haar dwingen wilden om van boord na land te gaan, met dreijgementen, van haar anders te zullen doen gaan.

Dat vervolgens op den 18e November van het zelve jaar 1728, zij getuijgen met hun gemelde schip liggende te Marseille met de stelling aan de wal, aldaar voorgevallen is, dat den requirant (nadat het reeds de tijd was dat het schipsvolk met werken was uijtgescheijden) goeds moeds aan de wal is gegaan, en in den avondstond weder aan boord quam, tragtent op het schip te komen dog dat hem door de man die de wagt had, gesegt wiert dat hij niet op komen mogt, dat den requirant als doen vraagde wie dat die ordre had gegeven, en den Schipper daarop aanstonds te voorscheijn komende, zeijde dat hij die ordre gegeven had, en te gelijk met een ontbloote houwer in de hand, na hem requirant toe quaam  te aanstonds retireerde en door den Schipper aan den wal nog vervolgt en alzo van boord weggejaagt wierd.

Verklaarende zij getuijgen, dat den requirant zig gedurende hunne reijse, met alle ordentelijkheijt so omtrent den Schipper, als in’t waarneemen van zijn bediening gedraagen heeft. dat ook tusschen den Schipper en hem timmerman particulier geene woorden nog misnoegen te vooren zijn voorgevallen geweest nog te ooijt door den Schipper over het gedrag van hem requirant geklaagt geworden

Gevende tot redenen van wetenschap als in den text en presenteeren den in houden deeses nader met eede te sterken,

Gepasseert in Amsterdam voornoemd present Coenraad van de Gaate en Everadus Dudok als getuijge

Was getekend: Jochem Richel, Jan Müller, Coenraad van de Gaate, Everardus Dudok en Jan Ardinois

"De Jonge Jan" Wederwaardigheden van het schip onder Schipper Mathijs Laurensz deel 2

 

Het schip “De Jonge Jan”

Compareerde 6 februarij 1730

De eerzame Mathijs Laurensz, en Jan Pannekoek, de eerste als capiteijn  en de andere als Hofmeester gevaaren hebbende  op ‘t verongelikte schip “De jonge Jan” en waarmeede zij lieden zijn gevaaren van hier na Toulon, van Toulon na Smirna en de Archipelle van daar op Marseille en van daar wederom op Smirna en de Archipelle.

En hebben de voornoemde Heer Hendrik Lampe Als Boekhouder en meede Reeder van ’t boven gedagte schip, getuijgt en verklaart Dat zij getuijgen ten tijde dat het voorsz. Schip tot Marseille is ontlost geworden namelijk in de maand November 1728 geziend gehoord en bijgewoond hebben dat er door eenighe personen van hun Scheepsvolk, namentlijk door den timmerman Jan Ouwt en de matrosen Willem Roelofsz, Roelof Albertsz, Mathijs Bentveldt, Jochem Richel en Stoffel Hanssen zijn begaan en gepleegd diversse wan-devoiren en onordenlijkheden, ze in dronken drinken en het maaken van allerhande rusie als ook in’t nalaten van de Haa-rlieden werk en het negligeren en niet gehoorzamen van de ordres, die Hen-lieden in en omtrent scheeps-dienst en het lossen van ’t voorsz: schip, wierden gegeeven van de Hooger Officieren.

Dat de voornoemde Zes Personen, namentlijk de drie Eerste op den 18e  en de drie laatte op den 22e november, tegens wiil en danck van den Eerste getuijge in deze zig ook hebben geabsenteert van ’t Scheepboord en zigh geretireert aan landt, van waar zij- Lieden niettegenstaande het iterative aanzoek en ordre van den eerste getuijge  egter niet hebben willen weder keeren na Boord zo dat hij eerste getuijge  zigh heeft moeten adresseren aan en verzoeken de adsistentie van de Overheid tot Marseille voornoemd, door welcke Authoriseijt de voornelde  personen dan ook geapprehendeert en op de galeijen in Arrest gebragt zijn uijt welck arrest zij lieden na verloop van seeven daagen wel weder zijn ontslaagen, op de belofte van weder na Boord te zullen keeren en aldaar haar scheepsdienst weeder behoorlijk waar teneemen  dogh dat deze in plaats van zulks na te koomen hebben konnen goedvinden, om haar weder te begeeven in haare voorighe Herbergh en het Schip te laten leggen, zonder daar eens na om te zien, waarop de Eerste getuijge in tegenwoordigheid van de tweede getuijge zigh des anderendaags heeft vervoegt in de voorsz: Herbergh. En aldaar aan de voornoemde Personen nogmaals instantelijk verzogt dat zij dog weder aan Boord koomen wilden, dogh dat zij ’t zelve verzoek niet alleen absolutelijk hebben afgeslaagen, maar daar en booven van Hem Eerste getuijge ook nogh hebben durven pretenderen geld oft betaalinge dogh het geen hij Eerste getuijge vermits de Reijze niet volbragt was, aan Haar-Lieden heeft geweijgerd gelijk Hij ook aan haar geweijgerd heeft het overgeeven van Haar-Lieden goedt, zeggende dat zij niet aan boord koomende haar geld en goed dan konden vorderenter plaatse daar zulks behoorde, namentijk hier tot Amsterdam, wanneer de reijze zoude zijn volbragt, zo dat het meergemelde schip van Marseille heeft moeten vertrekken met agterlaatinghe van de meergedaghte zes Personen en hij Eerste Getuijge in haare plaatse op zware borgtogt ander volk heeft in moeten huuren, geevende zij getuijge voor reedenen van wetenschap als in den Tekst en Presenterende de waarheijd dezer Verklaaringhe dan ook Solemnelijk te Bevestigen

Aldus gepasseerd binnen Amsterdam ter Presenzie van Hendrik van Wesel, Gerrit Perizonius als getuihgen nog verder dat de bovengedagte Timmerman Jan Ouwt ook nogh tot Toulon de Stoutigheijde heeft gehadt om binnen Scheepsboort zijn mes tegens ’t Volk te trekken en dat hij op den boven gedagten 18e November1728 tot Marseille ook nogh heeft versuijt zijn wagt.

Was getekend. Matthijs Laurensz, Jan Pannekoek, Hendrik van Wesel Gerrit Perizonius

Quod attest M Maten de Jonge Nota, Publ


124,824