woensdag 29 april 2026

"De Jonge Jan" De wederwaardigheden van het schip in 1728

 

Het schip “De Jonge Jan”

Compareerde 6 februarij 1730

De eerzame Mathijs Laurensz, en Jan Pannekoek, de eerste als capiteijn  en de andere als Hofmeester gevaaren hebbende  op ‘t verongelikte schip “De jonge Jan” en waarmeede zij lieden zijn gevaaren van hier na Toulon, van Toulon na Smirna en de Archipelle van daar op Marseille en van daar wederom op Smirna en de Archipelle.

En hebben de voornoemde Heer Hendrik Lampe Als Boekhouder en meede Reeder van ’t boven gedagte schip, getuijgt en verklaart Dat zij getuijgen ten tijde dat het voorsz. Schip tot Marseille is ontlost geworden namelijk in de maand November 1728 geziend gehoord en bijgewoond hebben dat er door eenighe personen van hun Scheepsvolk, namentlijk door den timmerman Jan Ouwt en de matrosen Willem Roelofsz, Roelof Albertsz, Mathijs Bentveldt, Jochem Richel en Stoffel Hanssen zijn begaan en gepleegd diversse wan-devoiren en onordenlijkheden, ze in dronken drinken en het maaken van allerhande rusie als ook in’t nalaten van de Haa-rlieden werk en het negligeren en niet gehoorzamen van de ordres, die Hen-lieden in en omtrent scheeps-dienst en het lossen van ’t voorsz: schip, wierden gegeeven van de Hooger Officieren.

Dat de voornoemde Zes Personen, namentlijk de drie Eerste op den 18e  en de drie laatte op den 22e november, tegens wiil en danck van den Eerste getuijge in deze zig ook hebben geabsenteert van ’t Scheepboord en zigh geretireert aan landt, van waar zij- Lieden niettegenstaande het iterative aanzoek en ordre van den eerste getuijge  egter niet hebben willen weder keeren na Boord zo dat hij eerste getuijge  zigh heeft moeten adresseren aan en verzoeken de adsistentie van de Overheid tot Marseille voornoemd, door welcke Authoriseijt de voornelde  personen dan ook geapprehendeert en op de galeijen in Arrest gebragt zijn uijt welck arrest zij lieden na verloop van seeven daagen wel weder zijn ontslaagen, op de belofte van weder na Boord te zullen keeren en aldaar haar scheepsdienst weeder behoorlijk waar teneemen  dogh dat deze in plaats van zulks na te koomen hebben konnen goedvinden, om haar weder te begeeven in haare voorighe Herbergh en het Schip te laten leggen, zonder daar eens na om te zien, waarop de Eerste getuijge in tegenwoordigheid van de tweede getuijge zigh des anderendaags heeft vervoegt in de voorsz: Herbergh. En aldaar aan de voornoemde Personen nogmaals instantelijk verzogt dat zij dog weder aan Boord koomen wilden, dogh dat zij ’t zelve verzoek niet alleen absolutelijk hebben afgeslaagen, maar daar en booven van Hem Eerste getuijge ook nogh hebben durven pretenderen geld oft betaalinge dogh het geen hij Eerste getuijge vermits de Reijze niet volbragt was, aan Haar-Lieden heeft geweijgerd gelijk Hij ook aan haar geweijgerd heeft het overgeeven van Haar-Lieden goedt, zeggende dat zij niet aan boord koomende haar geld en goed dan konden vorderenter plaatse daar zulks behoorde, namentijk hier tot Amsterdam, wanneer de reijze zoude zijn volbragt, zo dat het meergemelde schip van Marseille heeft moeten vertrekken met agterlaatinghe van de meergedaghte zes Personen en hij Eerste Getuijge in haare plaatse op zware borgtogt ander volk heeft in moeten huuren, geevende zij getuijge voor reedenen van wetenschap als in den Tekst en Presenterende de waarheijd dezer Verklaaringhe dan ook Solemnelijk te Bevestigen

Aldus gepasseerd binnen Amsterdam ter Presenzie van Hendrik van Wesel, Gerrit Perizonius als getuihgen nog verder dat de bovengedagte Timmerman Jan Ouwt ook nogh tot Toulon de Stoutigheijde heeft gehadt om binnen Scheepsboort zijn mes tegens ’t Volk te trekken en dat hij op den boven gedagten 18e November1728 tot Marseille ook nogh heeft versuijt zijn wagt.

Was getekend. Matthijs Laurensz, Jan Pannekoek, Hendrik van Wesel Gerrit Perizonius

Quod attest M Maten de Jonge Nota, Publ


124,824

Geen opmerkingen: