Het schip “De Jonge Jan”
Compareerde 6 februarij 1730
De eerzame Mathijs Laurensz, en Jan Pannekoek, de eerste als
capiteijn en de andere als Hofmeester
gevaaren hebbende op ‘t verongelikte schip
“De jonge Jan” en waarmeede zij lieden zijn gevaaren van hier na Toulon, van
Toulon na Smirna en de Archipelle van daar op Marseille en van daar wederom op
Smirna en de Archipelle.
En hebben de voornoemde Heer Hendrik Lampe Als Boekhouder en
meede Reeder van ’t boven gedagte schip, getuijgt en verklaart Dat zij
getuijgen ten tijde dat het voorsz. Schip tot Marseille is ontlost geworden namelijk
in de maand November 1728 geziend gehoord en bijgewoond hebben dat er door
eenighe personen van hun Scheepsvolk, namentlijk door den timmerman Jan Ouwt en
de matrosen Willem Roelofsz, Roelof Albertsz, Mathijs Bentveldt, Jochem Richel
en Stoffel Hanssen zijn begaan en gepleegd diversse wan-devoiren en onordenlijkheden,
ze in dronken drinken en het maaken van allerhande rusie als ook in’t nalaten van
de Haa-rlieden werk en het negligeren en niet gehoorzamen van de ordres, die Hen-lieden
in en omtrent scheeps-dienst en het lossen van ’t voorsz: schip, wierden gegeeven
van de Hooger Officieren.
Dat de voornoemde Zes Personen, namentlijk de drie Eerste op
den 18e en de drie laatte op
den 22e november, tegens wiil en danck van den Eerste getuijge in
deze zig ook hebben geabsenteert van ’t Scheepboord en zigh geretireert aan
landt, van waar zij- Lieden niettegenstaande het iterative aanzoek en ordre van
den eerste getuijge egter niet hebben
willen weder keeren na Boord zo dat hij eerste getuijge zigh heeft moeten adresseren aan en verzoeken
de adsistentie van de Overheid tot Marseille voornoemd, door welcke
Authoriseijt de voornelde personen dan
ook geapprehendeert en op de galeijen in Arrest gebragt zijn uijt welck arrest
zij lieden na verloop van seeven daagen wel weder zijn ontslaagen, op de belofte
van weder na Boord te zullen keeren en aldaar haar scheepsdienst weeder
behoorlijk waar teneemen dogh dat deze
in plaats van zulks na te koomen hebben konnen goedvinden, om haar weder te
begeeven in haare voorighe Herbergh en het Schip te laten leggen, zonder daar
eens na om te zien, waarop de Eerste getuijge in tegenwoordigheid van de tweede
getuijge zigh des anderendaags heeft vervoegt in de voorsz: Herbergh. En aldaar
aan de voornoemde Personen nogmaals instantelijk verzogt dat zij dog weder aan
Boord koomen wilden, dogh dat zij ’t zelve verzoek niet alleen absolutelijk
hebben afgeslaagen, maar daar en booven van Hem Eerste getuijge ook nogh hebben
durven pretenderen geld oft betaalinge dogh het geen hij Eerste getuijge
vermits de Reijze niet volbragt was, aan Haar-Lieden heeft geweijgerd gelijk
Hij ook aan haar geweijgerd heeft het overgeeven van Haar-Lieden goedt,
zeggende dat zij niet aan boord koomende haar geld en goed dan konden
vorderenter plaatse daar zulks behoorde, namentijk hier tot Amsterdam, wanneer
de reijze zoude zijn volbragt, zo dat het meergemelde schip van Marseille heeft
moeten vertrekken met agterlaatinghe van de meergedaghte zes Personen en hij Eerste
Getuijge in haare plaatse op zware borgtogt ander volk heeft in moeten huuren,
geevende zij getuijge voor reedenen van wetenschap als in den Tekst en Presenterende
de waarheijd dezer Verklaaringhe dan ook Solemnelijk te Bevestigen
Aldus gepasseerd binnen Amsterdam ter Presenzie van Hendrik
van Wesel, Gerrit Perizonius als getuihgen nog verder dat de bovengedagte
Timmerman Jan Ouwt ook nogh tot Toulon de Stoutigheijde heeft gehadt om binnen
Scheepsboort zijn mes tegens ’t Volk te trekken en dat hij op den boven
gedagten 18e November1728 tot Marseille ook nogh heeft versuijt zijn
wagt.
Was getekend. Matthijs Laurensz, Jan Pannekoek, Hendrik van
Wesel Gerrit Perizonius
Quod attest M Maten de Jonge Nota, Publ
124,824
Geen opmerkingen:
Een reactie posten