Op Heeden den derde December in den jaare Zeventien Hondert
negen en twintig Compareerde voor mij Jan Ardinois openbaar Notaris bij de Ed:
Hove van Holland Geadmiteerd te Amsterdam Residerende in Presentie van de
nagemelde getuige: Jochem Richel en Jan
Möller beijde als matroos gevaaren hebbende met het schip “De Jonge Jan”gevoerd
door Schipper Mathijs Laurens En hebben ten versoeke van Jan Out timmerman
meede in dienst van ‘t gemelde Schip hebbende gevaren, getuijge en verklaart Dat zij getuijgen de verklaaring die door drie
van hun meede scheepsvolk op den 5e september deses Jaars voor mij
Notaris gepasseerd en des anderen daags met eede bevestigt is (en welke op het
tekenen deses aan haar is voorgelesen) weeten de waarheijt te zijn en den ganschen
in houde daar van gerustelijk meede affirmeeren, gelijk zij getuijgen dan
dezelve bevestigen meede of nevens de getuijgeb daar in gemeld bij deesen verklaaren, Dat zij
getuijge geduurende de reijse met het voorsz schip gedaan ondervinden vonden
hebben dat hun voornoemde Schipper Mathijs Laurensz menigmaal beschonken quam te zijn en dan zeer
quaadaardig en brutaal zo omtrent het scheepsvolk als anderen was gelijk hij (
onder meer den gelijke gevallen) eens op den 23e Augustus van’t
voorledene Jaar 1728 als wanneer zij in Ladinge waaren leggende in de Golf van
St Lie, kwestie maakte met eenige Turken die hunne waaren aan boord bragten.
Zodanig dat hij die Wilde Slaan, dog dat zij getuigen, ziende dat de Turken
wederom wilde lossen, en zij met hun schip gevaar zoude loopen, hem Schipper
zulks verhindert en hem vast gehouden hebben waardoor hij verstoord en nog
beschonken zijnde haar getuijge verbood te werken en haar dwingen wilden om van
boord na land te gaan, met dreijgementen, van haar anders te zullen doen gaan.
Dat vervolgens op den 18e November van het zelve
jaar 1728, zij getuijgen met hun gemelde schip liggende te Marseille met de
stelling aan de wal, aldaar voorgevallen is, dat den requirant (nadat het reeds
de tijd was dat het schipsvolk met werken was uijtgescheijden) goeds moeds aan
de wal is gegaan, en in den avondstond weder aan boord quam, tragtent op het
schip te komen dog dat hem door de man die de wagt had, gesegt wiert dat hij
niet op komen mogt, dat den requirant als doen vraagde wie dat die ordre had
gegeven, en den Schipper daarop aanstonds te voorscheijn komende, zeijde dat
hij die ordre gegeven had, en te gelijk met een ontbloote houwer in de hand, na
hem requirant toe quaam te aanstonds
retireerde en door den Schipper aan den wal nog vervolgt en alzo van boord weggejaagt
wierd.
Verklaarende zij getuijgen, dat den requirant zig gedurende hunne
reijse, met alle ordentelijkheijt so omtrent den Schipper, als in’t waarneemen van
zijn bediening gedraagen heeft. dat ook tusschen den Schipper en hem timmerman
particulier geene woorden nog misnoegen te vooren zijn voorgevallen geweest nog
te ooijt door den Schipper over het gedrag van hem requirant geklaagt geworden
Gevende tot redenen van wetenschap als in den text en
presenteeren den in houden deeses nader met eede te sterken,
Gepasseert in Amsterdam voornoemd present Coenraad van de
Gaate en Everadus Dudok als getuijge
Was getekend: Jochem Richel, Jan Müller, Coenraad van de
Gaate, Everardus Dudok en Jan Ardinois
Geen opmerkingen:
Een reactie posten